|
Het
bezwaarschrift tegen prof. Douma en het antwoord van het
Curatorium.
Toen De Reformatie in de jaren
twintig werd opgericht was het een ‘krant’ van A-3 formaat.
Dat is uiteraard niet in het enige verschil met De
Reformatie van nu meer dan vijfenzeventig jaar later. Een
van de zaken die destijds in De Reformatie werden besproken
waren de bezwaarschriften en de antwoorden die de auteurs op
hun bezwaren kregen. In de Courant van deze week wordt het
bezwaarschrift – gekoppeld aan een aantal artikelen -
besproken die ondergetekende schreef en het antwoord van het
Curatorium (tegenwoordig het College van Toezicht). Dit
artikel is een compilatie van het bezwaarschrift en de
artikelen die hierover zijn geschreven (Noot 1-4).
Genesis
Zoals
bekend publiceerde prof. Douma in 2004 het boekje
Genesis (1). in
dit boekje staan opmerkelijke en ook opzienbarende
uitspraken. Tegen twee uitspraken in
Genesis werd
een bewaarschrift geschreven - dat februari 2005 gestuurd
werd naar de Synode van Amersfoort.
De eerste uitspraak waartegen bezwaar werd aangetekend is de
wijze waarop prof. Douma spreekt over de schepping in het
eerste hoofdstuk van Genesis. Volgens prof. Douma gaat het
in de schepping zelf niet om historie - pagina 40: “In
strikte zin genomen gaat het in die schepping zelf niet om
historie.” Maar wat is Genesis 1 dan wel wanneer het geen
historie is? Volgens Douma is Genesis 1 niet een
“letterlijk”te nemen “historisch” verslag (p.40) maar een
“kunstig gevormde” (p.44) “inkleding” van het
“scheppingsbericht” (p.40).
De oorzaak (en ook consequentie) van deze opvatting laat
zich bijv. lezen op p. 40:
“Zouden we Geneis 1 letterlijk nemen, dan verstrikken we ons
in onoplosbare problemen. Zo lezen we dat God op de eerste
dag het licht schiep. Daar rijst reeds de vraag hoe
lichtval op de aarde mogelijk was zonder zon, maan en
sterren, die pas op de vierde dag geschapen zijn.”
Op grond van Douma of op grond van de wetenschap wordt hier
de schepping van het licht op de eerste dag en de schepping
van de zon, maan en sterren op de vierde dag ter discussie
gesteld.
In mijn bezwaarschrift formuleerde ik ook een achtergrond
van mijn bezwaar:
Achtergrond bezwaar 1
De woorden inkleding en historie speelden
een grote rol in de zaak Geelkerken welke leidde tot de
buitengewone Synode van Assen '26.
Dominee Geelkerken had een preek gemaakt waarover vragen
gesteld werden. Deze vragen hadden betrekking op wat er
gepreekt was over de zonde van Adam en Eva in het paradijs.
Ds. Geelkerken had zijn preek niet op papier staan en maakte
daarom een korte samenvatting. Deze samenvatting bracht
echter niet de gewenste duidelijkheid. Daarom legde de
classis van Amsterdam hem de volgende verklaring voor:
''Dr. J.G.Geelkerken verklaart, dat heel het verloop van het
verhaal, zooals dat in Genesis 3 voor ons ligt, door hem als
historie (curs. STB) wordt aanvaard en werd
verkondigd," ( )
Geelkerken was tot deze verklaring niet bereid. De classis
vond dat Dr. Geelkerken hiermee een ''rechtvaardige oorzaak
van verdenking'' gaf; De classis besloot daarom deze zaak
verder te onderzoeken en legde hem o.a de volgende vraag (5)
voor:
"Verwerpt gij elke voorstelling, waarin wat in Genesis 3 ons
betreffende den zondeval is meegedeeld, wordt geacht één of
ander soort van ,,inkleeding'' (curs.STB) te zijn,
zij het dan ook met een historische kern?"
De classis Amsterdam wilde dus weten of Geelkerken Genesis 3
'slechts' zag als een verhaal, een inkleding, met een
historische kern van waarheid.
Geelkerken wilde deze vraag niet duidelijk beantwoorden.
Omdat ook de andere antwoorden niet bevredigend waren, werd
door de classis Amsterdam en door de Particuliere Synode
besloten tot de buitengewone Synode van Assen 1926.
Bezwaar 1
De woorden historie en inkleding dragen een zware lading
met zich mee. Wanneer in dit boekje, Genesis 1 geen ''historie''
genoemd wordt maar wel een ''inkleding" gaan de gedachten
automatisch naar de kwestie Geelkerken. Wat Geelkerken niet
wilde zeggen van Genesis 3 dat wil Douma niet zeggen van
Genesis 1. Beiden ontkennen de historiciteit van een
schriftgedeelte en beiden bezigen de term inkleding.
De synode van Assen oordeelde dat Geelkerken in conflict was
met de Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 4 en 5. Het lijkt
alsof ook prof. Douma in conflict is met NGB art. 4 en 5
wanneer hij stelt dat Genesis 1 geen historie is.
De kern van deze geloofsartikelen is dat de Schrift
genoegzaam is: Genesis 1 presenteert zich als de feitelijke
toedracht van de schepping en niets in de Schrift wijst op
het tegendeel.
VERZOEK 1
Aan de synode van Amersfoort-Centrum 2005 wordt verzocht
uit te spreken:
Dat de uitspraak dat Genesis 1 niet historisch is, gedaan
in het boekje Genesis
van prof. J. Douma, in strijd is met de NGB art. 4 en 5.
De reactie van het
Curatorium (College van Toezicht) op het eerste verzoek.
(Februari 2005 richtte ik mijn bezwaarschrift aan
de Synode van Amersfoort 2005 die het bezwaarschrift naar
het Curatorium/College Van Toezicht stuurde. November 2005
ontving ik antwoord van het College.)
Uw eerste
bezwaar
betreft
uitspraken van prof. Douma, waarin hij volgens u de
historiciteit van Genesis 1 ontkent. Door prof. Douma
gebezigde uitdrukkingen t.a.v. Genesis 1 zouden dit bewijzen.
Zoals dat we in Genesis 1 te maken hebben met een "kunstig
gevormde inkleding" van het scheppingsbericht; en: "in
strikte zin genomen gaat het in die schepping zelf niet om
historie".
Wij
hebben in een gesprek prof. Douma gevraagd zich op dit punt
nader te verklaren. In dat gesprek werd duidelijk dat prof.
Douma allerminst het historisch feit van de schepping
door God Zelf wil ontkennen. En evenmin het feit dat er
opeenvolgende scheppingsdaden geweest zijn volgens Gods vast
plan (vergelijk zijn boekje, hoofdstuk 1.11.2, blz. 47/48).
Hij ziet Genesis 1 geenszins als mythe. '
Bij
de door u aangehaalde uitdrukkingen van prof. Douma gaat het
om twee zaken. Voor een goed begrip is het nodig die
duidelijk van elkaar te onderscheiden. De eerste
betreft de vraag naar de definiëring van het begrip 'historie'.
In feite gaat het daarbij om niet meer dan een academische
discussie. Prof. Douma hangt in dit verband de opvatting aan,
dat men in strikte zin pas dan van 'historie' kan spreken,
op het moment dat de mens zijn verschijning maakt op aarde (pag.
43: Gen. 2: het begin van de geschiedenis van de mens).
Wellicht had hij, zo erkent hij zelf, beter kunnen schrijven
dat er in Genesis 1 nog niet van historiebeschrijving
in strikte zin te spreken is.
De
tweede zaak is, dat je volgens prof. Douma op een
aantal onoverkomelijke moeiten in de uitleg stuit, als je
Genesis 1 zou moeten opvatten als historiebeschrijving zoals
wij die nu kennen. Daarbij is het geenszins zijn bedoeling
de feitelijkheid van de gebeurtenissen in Genesis 1 te
ontkennen. Wel is hij in dit verband van mening dat de
zogenaamde 'kadertheorie' nog het meest recht doet aan de
vraag hoe je Genesis 1 moet benaderen.
Nu
is dit een exegetische keuze van hem, waarbij de Schrift als
het door de Heilige Geest geïnspireerde Woord van God in
geen enkel opzicht ter discussie gesteld wordt. (zie ook de
inleiding op zijn boekje). Dit soort keuzen is in de
geschiedenis van de Gereformeerde Kerken vaker gemaakt. In
zijn verdediging nota bene van het besluit van de GS Assen
1926 tegen dr. J.G. Geelkerken, vraagt dr. K. Schilder bijv.
onbekommerd ruimte voor het stellen van dit soort
exegetische vragen bij de beschrijving van de schepping in
Genesis 1 (Een hoornstoot tegen Assen? 28
druk 1929, blz. 39 e.v.).
Het
College van Toezicht hoeft niet te beoordelen of prof. Douma
overtuigend heeft duidelijk gemaakt dat zijn exegetische
keuzen de enige juiste kunnen zijn. Maar ziet ook geen reden
hem te veroordelen als iemand die Gods Woord geweld aandoet.
Daar komt nog bij dat prof. Douma, anders dan Geelkerken, in
Genesis 3 niet meer spreekt van "geen historie in strikte
zin genomen" of: "inkleding". Daar gaat hij volledig uit van
een beschrijving van de feitelijkheid.
Conclusie
Het
College van Toezicht neemt dus de uitspraken van prof. Douma
inzake Genesis 1 over. Hiertegen zal beroep aangetekend
worden bij de Synode van 2008.
(Assen ’26 zei immers: “De feitelijkheidheid van het
meegedeelde is geen vraagstuk van de exegese.” Dat geldt
ook voor het feit van de volgorde van de
scheppingsdagen.)
Het spreken van de slang
In het
boekje Genesis
wordt op p.31 het spreken van de slang als volgt omschreven:
"Het spreken van de slang (gen.3:1) kan op een uitwisseling
van gedachten wijzen, die in de nog niet gevallen wereld
tussen mens en dier mogelijk was. Het kunnen spreken is dan
geen gevolg van de 'schranderheid' van de slang, maar van
een gemeenschapsleven tussen mens en dier zoals wij dat niet
meer kennen."
Het 'spreken' van de slang kan dus volgens pof. Douma op een
'een uitwisseling van gedachten' wijzen.
Bewaar 2
Spreken en gedachten uitwisselen door de taal betekent
echter niet hetzelfde. Spreken is een zintuigelijk
waarneembare, hoorbare en zichtbare, enz. wijze van
communiceren. Dit kan van gedachten uitwisselen door de taal
niet gezegd worden. Wanneer twee mensen elkaar een brief
schrijven, vindt er een gedachtenuitwisseling plaats, echter
niet d.m.v. spreken. Hiervan is evenmin sprake wanneer een
duim omhoog wordt gestoken, of een knipoog gemaakt; er is
door middel van gebaren- en lichaamstaal wèl een
uitwisseling van gedachten, maar niet door spreektaal. Ook
in de dierenwereld vindt er een gedachtenuitwisseling plaats
door middel van de taal. Dat kan door middel van (ultrasone)
geluiden, tekens, trillingen enz. Al naar gelang de taal,
hoewel geen spreektaal, waardoor het contact geoefend wordt.
Een uitwisseling van gedachten bestaat dus in vele variaties.
Zichtbare en onzichtbare, hoorbare en onhoorbare enz.
variaties.
Nogmaals: een uitwisseling van gedachten door de taal is
niet hetzelfde als spreektaal; van alle soorten
uitwisselingen van gedachten die er bestaan, is spreken
slechts één variant.
Nu zegt prof. Douma dat het spreken van de slang kan wijzen
op een uitwisseling van gedachten. De term “een
uitwisseling van gedachten” is een abstracte term d.w.z. dat
deze term op zichzelf genomen geen concrete vorm heeft. (Net
zoals bijv. het woord dier geen concrete vorm heeft.)
Met andere woorden: Bij prof. Douma lijkt het ‘spreken’
van de slang een uitdrukking zonder concrete vorm te worden.
Anders gezegd: het spreken van de slang vervaagt hier tot
een uitdrukking van onzekere betekenis.
Achtergrond bezwaar 2
Nationale kwestie
Tot op de dag van vandaag weten wij dat het spreken van
de slang een beladen onderwerp was tijdens Geelkerken.
Immers Geelkerken noemde Genesis 3 niet historisch maar een
inkleding – met als consequentie dat bijvoorbeeld het
spreken van de slang in Genesis 3 mogelijkerwijs niet een
zintuiglijk waarneembare hoorbare werkelijkheid zou zijn
geweest.
Het spreken van de slang en de kwestie Geelkerken 1926 zijn
zoals gezegd tot op de dag van vandaag onlosmakelijk met
elkaar verbonden – dat komt ook omdat de zaak Geelkerken een
geweldige bijna nationale kwestie was. Alle kranten schreven
erover: Het Algemeen Handelsblad, Het Friesch Dagblad, de
Standaard, De Notenkraker, De Telegraaf en ook Nederlands
meest wufte weekblad Het Leven. De gebeurtenissen van de
buitengewone synode in Assen ''26 werden zo mogelijk door de
kranten van uur tot uur verslagen.
Wanneer de predikant Dr. J.C. de Moor de kansel van de
Zuidersingelkerk beklimt zegt hij dan ook het volgende:
"Wij moeten met schaamte bekennen, dat reeds de manier,
waarop in het aanhangige proces velen zijn opgetreden,
allerminst is geschikt geweest om de eerbied voor Gods
openbaring te versterken. Dat de wereld zoo gruwelijk heeft
gespot b.v. met de paradijsgeschiedenis, blijft weliswaar
voor haar rekening, maar het is niet te ontkennen, dat
dezerzijds daartoe aanleiding te over is gegeven…
Sinds 1892 is er wel menigmaal allerlei moeite geweest, doch
nimmer stegen de wateren van wereldzin, hartstocht en
onderlinge vijandschap zoo hoog als thans, en werd de kerk
van Christus zoo zeer tot een aanfluiting."
Over de zaak zelf merkte ds. de Moor o.a. het volgende op:
“De Gereformeerde Kerken bezitten in haar belijdenis en de
verdediging, welke deze tegen de dwaalleer bevat, een
allerkostelijksten schat. Zij zullen echter voortdurend er
op bedacht moeten zijn, dit bezit te verdedigen en zich
immer moeten inspannen om de leugens te ontmaskeren. Daarbij
mogen zij ten slotte niemand en niets ontzien…"
De vraag of Genesis 3 historisch is of slechts een inkleding,
had dus nationale bekendheid gekregen. Heel Nederland wist
in 1926 dat er een debat gaande was over Genesis 3. Is
Genesis 3 historisch of is het een inkleding? In de
volksmond werd het samengevat in deze ene vraag: Sprak de
slang of sprak zij niet?
Achtergrond bewaar 2
Dr. Visscher
Nu zegt prof. Douma dat het spreken van de slang
op een uitwisseling van gedachten kan wijzen. Hij verwijst
voor deze zogenaamde ‘uitleg’ van het spreken van de slang
naar het Commentaar van Gispen (1974, p.134).
Wanneer wij het commentaar van
Gispen hierop naslaan komt er een opmerkelijk gegeven naar
voren. Want voor deze uitleg citeert Gispen op pagina 134
prof. dr. H. Visscher. Dit is dus niet de uitleg van Gispen
maar de uitleg van dr. Visscher. En dit is zo opmerkelijk
omdat dr. Visscher een rol speelde in de zaak Geelkerken.
Nu zal de naam van dr. Visscher niet meer bij iedereen
bekend zijn. Maar dr. Visscher was van ongeveer 1900 tot en
met de tweede wereldoorlog een landelijk bekende en ook
omstreden theoloog. Hij was o.a. hervormde dominee,
mede-oprichter van de gereformeerd Bond waarmee hij later
brak, tweede kamerlid van de ARP waarmee hij later ook brak
en hij had de bijnaam: 'de man met de geuzenkop.' Deze
bijnaam was hem door Kuyper gegeven die Visscher enige tijd
beschouwde als zijn opvolger. Visscher noemde zichzelf
overigens "een calvinist op eigen houtje." In de tijd van
de tweede wereldoorlog zag Visscher in Hitler degene die
Gods oordeel over Nederland bracht. Dit bracht hem er toe
adviseur van Mussert te worden. Er kan dus met recht gezegd
worden dat deze Visscher een bekende Nederlander en ook een
controversiële theoloog was.
Nu beroept Douma zich middels Gispen op de uitleg van dr.
Visscher. Want wat heeft Visscher gedaan? In 1927, een jaar
na de commotie rond Geelkerken, schreef hij een boek met als
titel: Het
pardijsprobleem. In dit boek beschreef hij het 'spreken'
van de slang als een 'gedachtenwisseling' op grond van een
hoger gemeenschapsleven tussen mensen en dieren. Gispen
citeert nauwkeurig pagina 88 van dit boek (2)
Wat deed dr. Visscher dus in 1927 met zijn boek:
Het paradijsprobleem? Hij ging naast ds. Geelkerken staan.
Een prominent kamerlid die tegelijk dominee en ook
hoogleraar theologie was steunde een geschorste dominee –
Geelkerken werd immers geschorst in 1926 - met een boek over
het paradijs, tegen de synode. In een zaak met grote
publieke belangstelling mengde een publiek figuur zich
alsnog in het debat. Hoopte hij op extra stemmen tijdens de
volgende verkiezing? Deze vraag is hier niet van belang. Dr.
Visscher ging naast ds. Geelkerken staan tegen de Synode van
Assen.
Wij constateren hier het feit dat Douma met instemming dr.
Visscher – via Gispen - citeert. (Dit citaat is overigens
helemaal in de lijn van Gispen die het in zijn commentaar
heeft over 'het verhaal van de schepping' (1974, p.8). In
het boekje Genesis wordt het spreken van de slang ter discussie gesteld
met de term ‘uitwisselen van gedachten.’ Het lijkt alsof
prof. Douma met dr. Visscher hiermee naast Geelkerken gaat
staan. En met dit boekje doet hij dat publiekelijk.
De synode van Assen oordeelde dat Geelkerken in conflict was
met de Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 4 en 5. Door ter
discussie te stellen of de feiten en de zaken van Genesis 2
en 3 wel zintuiglijk waarneembare werkelijkheden waren
geweest keerde Geelkerken zich tegen de belijdenis. De kerk
belijdt dat de Schrift genoegzaam is. De kerk richt, grondt
en bevestigt haar geloof op de Schrift en op de Schrift
alleen. Allerlei wetenschap en zogenaamde wetenschap zal
niet heersen over de inhoud van de Bijbel.
VERZOEK 2
Aan de synode van Amersfoort-Centrum 2005 werd verzocht
uit te spreken:
Dat de omschrijving: 'uitwisseling van gedachten' in
ditzelfde boekje
Genesis gedaan, het klaarblijkelijke en zintuiglijk
waarneembare 'spreken' van de slang ter discussie stelt. Dit
is in strijd met art. 4 en 5 van de NGB.
De reactie
van het Curatorium (College van Toezicht) op het Tweede
verzoek.
En hiermee
komen we bij uw tweede bezwaar: Prof. Douma zou het
werkelijk spreken van de slang tot Mannin, net als
Geelkerken, in bedekte termen ter discussie stellen. Uw
enige argument daarvoor is zijn woordkeus, dat er tussen de
vrouwen de slang sprake was van een "uitwisseling van
gedachten", een formulering die, naar u ontdekte, ook dr. H.
Visscher, medestander van Geelkerken, gebruikte. Douma
beroept zich voor deze woordkeus weliswaar niet op Visscher
maar op W.H. Gispen, maar is bij Gispen niet weer een
verwijzing naar Visscher te vinden?
Het
is jammer dat u met uw moeite niet eerst prof. Douma zelf
benaderd hebt, maar meteen tot de beschuldiging van 'Schriftkritiek'
gekomen bent; en die ook publiek in de pers geuit hebt. Het
College van Toezicht heeft ook dit punt wél met hem
doorgesproken en kreeg te horen dat prof. Douma van het door
u aangehaalde boek van Visscher geen letter gelezen heeft.
En met het van Gispen overnemen van de uitdrukking "uitwisseling
van gedachten" ook geenszins een werkelijk spreken met
elkaar van slang en vrouw bedoelde te ontkennen. Integendeel:
hij wil juist het echt kunnen spreken van een slang -in onze
wereld vandaag, na de zondeval iets ongekends- verklaarbaar
maken. Hij schrijft daarom op pag. 31 van zijn boekje: "Het
kunnen spreken (cursivering van ons) is dan geen
gevolg van 'schranderheid' van de slang, maar van een
gemeenschapsleven tussen mens en dier zoals wij dat niet
meer kennen". Douma handhaaft dus nadrukkelijk het spreken
van de slang. En pas dan volgt een verwijzing naar Gispen!
Commentaar
Het Curatorium of College van Toezicht stelt dat met de
term ‘uitwisseling van gedachten’ het spreken van de slang
niet ter discussie wordt gesteld. In mijn bezwaarschrift gaf
ik overigens geen beschrijving van de term ‘uitwisseling van
gedachten.’
Het College hangt zwaar op het feit dat ik inderdaad in mijn
bezwaarschrift een uitgebreide beschrijving geef van de
antecedenten van dr. Visscher. Doorslaggevend in de
benadering van het College is daarom dat prof. Douma:
“van het door u aangehaalde boek van Visscher geen letter
gelezen heeft.”
Wij gaan er zondermeer van uit dat prof. Douma hier waarheid
gesproken heeft. Letterlijk : hij heeft geen letter
van het door u aangehaalde boek gelezen.
Tegelijkertijd moet daarbij echter ook het volgende worden
opgemerkt: Prof. Douma heeft geen letter van het boek van
Douma gelezen maar was middels De Reformatie wel op de
hoogte van ‘de inhoud’ van dit boek. Immers in jaargang 8
van De Reformatie stonden meer dan 10 grote artikelen over
het boek Het
Paradijsprobleem van dr. H. Visscher. Jaargang 8
staat op de literatuurlijst van de dissertatie
Algemene Genade
van Prof. Douma.
Enkele voorbeelden van wat in jaargang 8 met over het
spreken van de slang/uitwisseling van gedachten - in relatie
tot Het
Paradijsprobleem - genoemd wordt, zijn:
“Volgens hem heeft de slang niet gesproken met hoorbare
stem. Immers leest men op blz. 89 en 90: De dieren hebben
echter geene spraakorganen al zijn deze misschien minder van
belang voor de taal dan voor de redelijkheid.”
“Het aparte boekje van hem leidt een wereld van fabelen en
sprookjes binnen, waarin de dieren (zij het dan ook
onhoorbaar) spreken. Maar wij stellen er onze eer in, dat
wij geen kunstig verdichte fabelen najagen. Wij wenschen ons
strikt te houden aan Gods Woord.” (Jaargang 8 no. 19 10
februari 1928 p. 145)
En prof. K. Schilder neemt het volgende citaat uit de
Leeuwarder kerkbode over:
“Ons grootste bezwaar gaat echter tegen de methode van
prof.V, om de verklaring van zulke Schriftgegevens niet in
de Schrift zelf, maar in een vermeende, en dit vrij-heidense
gedachtenwereld van de schrijver te zoeken.”
Wij willen hier ook het volgende over opmerken. Over de zaak
of prof. Douma wel of niet op de hoogte was van ‘de inhoud’
Het Paradijsprobleem heb ik gepubliceerd in Reformanda (februari
2006) (2). Dat heb ik gedaan na de uitspraak van het
Curatorium/ College Van Toezicht (november 2005). Hoewel
niet het speerpunt van mijn artikel – heb ik jaargang 8 van
De Reformatie genoemd die staat op de literatuurlijst van
Algemene Genade
van prof. Douma.
Prof. Douma heeft na de publicatie van dit artikel aan
ondergetekende een brief geschreven – in afschrift aan de
redactie van Reformanda – met het verzoek deze brief te
publiceren. Op mijn dringende en herhaalde verzoek heeft de
redactie van Reformanda – tegen het door Reformanda
gehanteerde redactieprotocol in – de inhoudelijke kant van
deze brief gepubliceerd (3).
Opvallend is de laatste regel van het schrijven van prof.
Douma:
“Het spreken zoals dat in Gen. 3,1 wordt genoemd, komt nu
niet meer voor.” Dit is echter letterlijk onwaar.
In Genesis 3 staat dat de slang sprak, de vrouw
sprak, de mens sprak en God sprak. Steeds
wordt hier hetzelfde grondwoord gebruikt. In Gen. 4:1 (na de
zondeval) zien wij ditzelfde grondwoord terug enz. enz. In
Exodus 20:1 zien we verder bijv. ook dit grondwoord: Toen
sprak God al deze woorden, “zeggende.” In de Schrift
staat spreken (zeggen) er staat niet een uitwisseling van
gedachten. Niets wijst erop dat in Genesis 3 sprake is
van een bijzondere communicatievorm waarbij de concrete
betekenis van het woord spreken vervaagt tot een uitdrukking
van onzekere betekenis.
Genesis 3 én 4 enz enz. noemen het woord spreken zoals
wij dat wij dat in de praktijk van elke dag doen - zoals “nu
nog voorkomt.”
Naar aanleiding van de publicatie van de brief van prof.
Douma – wat genereus was - vroeg dr. P. van Gurp in het
Commentaar van de redactie het volgende:
“Het zou heel belangrijk zijn als dr. J. Douma onomwonden
zijn volle en hartelijke instemming betuigt met Assen 1926,
met name wat betreft de zintuiglijke waarneming” (3).
Tot dusver heeft dr. Douma niet aan dit verzoek voldaan.
Conclusie
De opmerking van het College van Toezicht over de kennis
van prof. Douma van
Het Paradijsprobleem lijkt minder juist maar is ook
minder relevant. Speerpunt is of het concrete spreken van de
slang ter discussie gesteld mag worden met de abstracte term
‘uitwisseling van gedachten’. Juist ook n.a.v. de brief van
prof. Douma aan Reformanda zal opnieuw deze vraag aan de
Synode van 2008 voorgelegd worden.
Slot
Het begin van de Schrift is niet een losstaand geheel
waaraan naar believen zelf een invulling mag worden gegeven.
Wanneer de volgorde van de dagen - en de opklimming daarvan
van 1-7 - niet relevant is dan heeft dat een direct gevolg
voor de rustdag als hoogtepunt van de Schepping. De
uitspraak van de Synode dat “het rusten op de zondag geen
goddelijk gebod zou zijn” lijkt dan ook een basis te vinden
in de kadertheorie. De discussie rond de ‘volgorde’ van de
scheppingsdagen vertaalt zich ook in het ter discussie
stellen van de schepping van de mens: eerst de man en daarna
de vrouw. Wanneer dat op zijn beurt ter discussie gesteld
wordt – en waarom zou dat niet mogen wanneer Genesis 1 wel
ter discussie gesteld mag worden – dan heeft dat een direct
gevolg voor de kerkregering.
Wanneer het begin van de Schrift ter discussie gesteld
rafelt de hele Schrift en ook het hele leven uiteen.
Sita T. Bolt
NA het zomerreces
D.V.: “Over de beamer en de zaligheid van de ziel.”
Noten
1. Dr. Jochem Douma,
Genesis. Kampen,
Kok 2004.
2. Zie hiervoor verder mijn artikel in Reformanda nr 7 – 22
februari 2006.
Sita T. Bolt, Sprak de slang of sprak zij niet?
3. Reformanda nr 13 – 5 april 2006 / reactie prof. dr. J.
Douma en commentaar van de
redactie door dr. P. van Gurp.
4. Reformanda nr 11 – 23 maart 2005. Sita T. Bolt,
De sleutel der kennis.
/ Reformanda nr
7 – 22 februari 2006. Sita T. Bolt,
Genesis 1-3: Antwoord
aan dr. E.A. de Boer.
|