jaargang 1 - nummer 37 - 8 juni 2007

 

Het bezwaarschrift tegen prof. Douma en het antwoord van het Curatorium.

Toen De Reformatie in de jaren twintig werd opgericht was het een ‘krant’ van A-3 formaat. Dat  is uiteraard niet in het enige verschil met De Reformatie van nu meer dan vijfenzeventig jaar later. Een van de zaken die destijds in De Reformatie werden besproken waren de bezwaarschriften en de antwoorden die de auteurs op hun bezwaren kregen. In de Courant van deze week wordt het bezwaarschrift – gekoppeld aan een aantal artikelen - besproken die ondergetekende schreef en het antwoord van het Curatorium (tegenwoordig het College van Toezicht). Dit artikel is een compilatie van het bezwaarschrift en de artikelen die hierover zijn geschreven (Noot 1-4).

 In dit nummer

 Het bezwaarschrift tegen prof.
 Douma en het antwoord van het
 Curatorium.

 
 

 Menu

 Vorige nummers

 Informatie

 Agenda

 Giften
 

Genesis

Zoals bekend publiceerde prof. Douma in 2004 het boekje Genesis (1). in dit boekje staan opmerkelijke en ook opzienbarende uitspraken. Tegen twee uitspraken in Genesis werd een bewaarschrift geschreven - dat februari 2005 gestuurd werd naar de Synode van Amersfoort.

De eerste uitspraak waartegen bezwaar werd aangetekend is de wijze waarop prof. Douma spreekt over de schepping in het eerste hoofdstuk van Genesis. Volgens prof. Douma gaat het in de schepping zelf niet om historie - pagina 40: “In strikte zin genomen gaat het in die schepping zelf niet om historie.” Maar wat is Genesis 1 dan wel wanneer het geen historie is? Volgens Douma is Genesis 1 niet een “letterlijk”te nemen “historisch” verslag (p.40) maar een “kunstig gevormde” (p.44) “inkleding”  van het “scheppingsbericht” (p.40). 

De oorzaak (en ook consequentie) van deze opvatting laat zich bijv. lezen op p. 40:
“Zouden we Geneis 1 letterlijk nemen, dan verstrikken we ons in onoplosbare problemen. Zo lezen we dat God op de eerste dag het licht schiep. Daar rijst  reeds de vraag hoe lichtval op de aarde mogelijk was zonder zon, maan en sterren, die pas op de vierde dag geschapen zijn.”

Op grond van Douma of op grond van de wetenschap wordt hier de schepping van het licht op de eerste dag en de schepping van de zon, maan en sterren op de vierde dag ter discussie gesteld.

In mijn bezwaarschrift formuleerde ik ook een achtergrond van mijn bezwaar:

Achtergrond bezwaar 1
De woorden inkleding en historie speelden een grote rol in de zaak Geelkerken welke leidde tot de buitengewone Synode van  Assen '26.
Dominee Geelkerken had een preek gemaakt waarover vragen gesteld werden. Deze vragen hadden betrekking op wat er gepreekt was over de zonde van Adam en Eva in het paradijs. Ds. Geelkerken had zijn preek niet op papier staan en maakte daarom een korte samenvatting. Deze samenvatting bracht echter  niet de gewenste duidelijkheid. Daarom legde de classis van Amsterdam hem de volgende verklaring voor:
''Dr. J.G.Geelkerken verklaart, dat heel het verloop van het verhaal, zooals dat in Genesis 3 voor ons ligt, door hem als historie (curs. STB) wordt aanvaard en werd verkondigd," ( )

Geelkerken was tot deze verklaring niet bereid. De classis vond dat Dr. Geelkerken hiermee een ''rechtvaardige oorzaak van verdenking'' gaf;  De classis  besloot daarom deze zaak verder te onderzoeken en legde hem o.a de volgende vraag (5) voor:
"Verwerpt gij elke voorstelling, waarin wat in Genesis 3 ons betreffende den zondeval is meegedeeld, wordt geacht één of ander soort van ,,inkleeding'' (curs.STB) te zijn, zij  het dan ook met een historische kern?"
De classis Amsterdam wilde dus weten of Geelkerken Genesis 3 'slechts' zag als een verhaal, een inkleding, met een historische kern van waarheid.
Geelkerken wilde deze vraag niet duidelijk  beantwoorden. Omdat ook de andere antwoorden niet bevredigend waren, werd door  de classis Amsterdam en door de Particuliere Synode besloten tot de buitengewone Synode van Assen 1926.

Bezwaar 1      
De woorden historie en inkleding dragen een zware lading met zich mee. Wanneer in dit boekje, Genesis 1 geen ''historie'' genoemd wordt maar wel een ''inkleding" gaan de gedachten automatisch naar de kwestie Geelkerken. Wat Geelkerken niet wilde zeggen van Genesis 3 dat wil Douma niet zeggen van Genesis 1. Beiden ontkennen de historiciteit van een schriftgedeelte en beiden bezigen de term inkleding.

De synode van Assen oordeelde dat Geelkerken in conflict was met de Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 4 en 5. Het lijkt alsof ook prof. Douma in conflict is met NGB art. 4 en 5 wanneer hij stelt dat Genesis 1 geen historie is.
De kern van deze geloofsartikelen is dat de Schrift genoegzaam is: Genesis 1  presenteert zich als de feitelijke toedracht van de schepping en niets in de Schrift wijst op het tegendeel.

VERZOEK 1
Aan de synode van Amersfoort-Centrum 2005 wordt verzocht uit te spreken:

Dat de uitspraak  dat Genesis 1 niet historisch is, gedaan in het boekje Genesis van prof. J. Douma,  in strijd is met de NGB art. 4 en 5.


De reactie van het Curatorium (College van Toezicht) op het eerste verzoek.

(
Februari 2005 richtte ik mijn bezwaarschrift aan de Synode van Amersfoort 2005 die het bezwaarschrift naar het Curatorium/College Van Toezicht stuurde. November 2005 ontving ik antwoord van het College.)
    
Uw eerste bezwaar betreft uitspraken van prof. Douma, waarin hij volgens u de historiciteit van Genesis 1 ontkent. Door prof. Douma gebezigde uitdrukkingen t.a.v. Genesis 1 zouden dit bewijzen. Zoals dat we in Genesis 1 te maken hebben met een "kunstig gevormde inkleding" van het scheppingsbericht; en: "in strikte zin genomen gaat het in die schepping zelf niet om historie".
Wij hebben in een gesprek prof. Douma gevraagd zich op dit punt nader te verklaren. In dat gesprek werd duidelijk dat prof. Douma allerminst het historisch feit van de schepping door God Zelf wil ontkennen. En evenmin het feit dat er opeenvolgende scheppingsdaden geweest zijn volgens Gods vast plan (vergelijk zijn boekje, hoofdstuk 1.11.2, blz. 47/48). Hij ziet Genesis 1 geenszins als mythe.    '
Bij de door u aangehaalde uitdrukkingen van prof. Douma gaat het om twee zaken. Voor een goed begrip is het nodig die duidelijk van elkaar te onderscheiden. De eerste betreft de vraag naar de definiëring van het begrip 'historie'. In feite gaat het daarbij om niet meer dan een academische discussie. Prof. Douma hangt in dit verband de opvatting aan, dat men in strikte zin pas dan van 'historie' kan spreken, op het moment dat de mens zijn verschijning maakt op aarde (pag. 43: Gen. 2: het begin van de geschiedenis van de mens). Wellicht had hij, zo erkent hij zelf, beter kunnen schrijven dat er in Genesis 1 nog niet van historiebeschrijving in strikte zin te spreken is.
De tweede zaak is, dat je volgens prof. Douma op een aantal onoverkomelijke moeiten in de uitleg stuit, als je Genesis 1 zou moeten opvatten als historiebeschrijving zoals wij die nu kennen. Daarbij is het geenszins zijn bedoeling de feitelijkheid van de gebeurtenissen in Genesis 1 te ontkennen. Wel is hij in dit verband van mening dat de zogenaamde 'kadertheorie' nog het meest recht doet aan de vraag hoe je Genesis 1 moet benaderen.


Nu is dit een exegetische keuze van hem, waarbij de Schrift als het door de Heilige Geest geïnspireerde Woord van God in geen enkel opzicht ter discussie gesteld wordt. (zie ook de inleiding op zijn boekje). Dit soort keuzen is in de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken vaker gemaakt. In zijn verdediging nota bene van het besluit van de GS Assen 1926 tegen dr. J.G. Geelkerken, vraagt dr. K. Schilder bijv. onbekommerd ruimte voor het stellen van dit soort exegetische vragen bij de beschrijving van de schepping in Genesis 1 (Een hoornstoot tegen Assen? 28 druk 1929, blz. 39 e.v.).
Het College van Toezicht hoeft niet te beoordelen of prof. Douma overtuigend heeft duidelijk gemaakt dat zijn exegetische keuzen de enige juiste kunnen zijn. Maar ziet ook geen reden hem te veroordelen als iemand die Gods Woord geweld aandoet.
Daar komt nog bij dat prof. Douma, anders dan Geelkerken, in Genesis 3 niet meer spreekt van "geen historie in strikte zin genomen" of: "inkleding". Daar gaat hij volledig uit van een beschrijving van de feitelijkheid.

Conclusie
Het College van Toezicht neemt dus de uitspraken van prof. Douma inzake Genesis 1 over. Hiertegen zal beroep aangetekend worden bij de Synode van 2008.

(Assen ’26 zei immers: “De feitelijkheidheid van het meegedeelde is geen vraagstuk van de exegese.” Dat geldt ook voor het feit van de volgorde van de scheppingsdagen.)


Het spreken van de slang

In het boekje Genesis wordt op p.31 het spreken van de slang als volgt omschreven:
"Het spreken van de slang (gen.3:1) kan op een uitwisseling van gedachten wijzen, die in de nog niet gevallen wereld tussen mens en dier mogelijk was. Het kunnen spreken is dan geen gevolg van de 'schranderheid' van de slang,  maar van een gemeenschapsleven tussen mens en dier zoals wij dat niet meer kennen."

Het 'spreken' van de slang kan dus volgens pof. Douma op een 'een uitwisseling van gedachten' wijzen.

Bewaar 2
Spreken en gedachten uitwisselen door de taal betekent echter niet hetzelfde. Spreken is een zintuigelijk waarneembare, hoorbare en zichtbare, enz. wijze van communiceren. Dit kan van gedachten uitwisselen door de taal niet gezegd worden. Wanneer twee mensen elkaar een brief schrijven, vindt er een gedachtenuitwisseling plaats, echter niet d.m.v. spreken. Hiervan is evenmin sprake wanneer een duim omhoog wordt gestoken, of een knipoog gemaakt; er is door middel van gebaren- en lichaamstaal wèl een uitwisseling van gedachten, maar niet door spreektaal. Ook in de dierenwereld vindt er een gedachtenuitwisseling plaats door middel van de taal. Dat kan door middel van (ultrasone) geluiden, tekens, trillingen enz. Al naar gelang de taal, hoewel geen spreektaal, waardoor het contact geoefend wordt. Een uitwisseling van gedachten bestaat dus in vele variaties. Zichtbare en onzichtbare, hoorbare en onhoorbare enz. variaties.

Nogmaals: een uitwisseling van gedachten door de taal is niet hetzelfde als spreektaal; van alle soorten uitwisselingen van gedachten die er bestaan, is spreken slechts één variant.

Nu zegt prof. Douma dat het spreken van de slang kan wijzen op een uitwisseling van gedachten. De term  “een uitwisseling van gedachten” is een abstracte term d.w.z. dat deze term op zichzelf genomen geen concrete vorm heeft. (Net zoals bijv. het woord dier geen concrete vorm heeft.)

Met andere woorden: Bij prof. Douma lijkt het ‘spreken’ van de slang een uitdrukking zonder concrete vorm te worden. Anders gezegd: het spreken van de slang vervaagt hier tot een uitdrukking van onzekere betekenis.

Achtergrond bezwaar 2
Nationale kwestie
Tot op de dag van vandaag weten wij dat het spreken van de slang een beladen onderwerp was tijdens Geelkerken. Immers Geelkerken noemde Genesis 3 niet historisch maar een inkleding – met als consequentie dat bijvoorbeeld het spreken van de slang in Genesis 3 mogelijkerwijs niet een zintuiglijk waarneembare hoorbare werkelijkheid zou zijn geweest.

Het spreken van de slang en de kwestie Geelkerken 1926 zijn zoals gezegd tot op de dag van vandaag onlosmakelijk met elkaar verbonden – dat komt ook omdat de zaak Geelkerken een geweldige bijna nationale kwestie was. Alle kranten schreven erover: Het Algemeen Handelsblad, Het Friesch Dagblad, de Standaard, De Notenkraker, De Telegraaf en ook Nederlands meest wufte weekblad Het Leven. De gebeurtenissen van de buitengewone synode in Assen ''26 werden zo mogelijk door de kranten van uur tot uur verslagen.

Wanneer de predikant Dr. J.C. de Moor de kansel van de Zuidersingelkerk beklimt zegt hij dan ook het volgende:
"Wij moeten met schaamte bekennen, dat reeds de manier, waarop in het aanhangige proces velen zijn opgetreden, allerminst is geschikt geweest om de eerbied voor Gods openbaring te versterken. Dat de wereld zoo gruwelijk heeft gespot b.v. met de paradijsgeschiedenis, blijft weliswaar voor haar rekening, maar het is niet te ontkennen, dat dezerzijds daartoe aanleiding te over is gegeven…
Sinds 1892 is er wel menigmaal allerlei moeite geweest, doch nimmer stegen de wateren van wereldzin, hartstocht en onderlinge vijandschap zoo hoog als thans, en werd de kerk van Christus zoo zeer tot een aanfluiting."

Over de zaak zelf merkte ds. de Moor o.a. het volgende op:
“De Gereformeerde Kerken bezitten in haar belijdenis en de verdediging, welke deze tegen de dwaalleer bevat, een allerkostelijksten schat. Zij zullen echter voortdurend er op bedacht moeten zijn, dit bezit te verdedigen en zich immer moeten inspannen om de leugens te ontmaskeren. Daarbij mogen zij ten slotte niemand en niets ontzien…"

De vraag of Genesis 3 historisch is of slechts een inkleding,  had dus nationale bekendheid gekregen. Heel Nederland wist in 1926 dat er een debat gaande was over Genesis 3. Is Genesis 3 historisch of is het een inkleding? In de volksmond werd het samengevat in deze ene vraag: Sprak de slang of sprak zij niet?

Achtergrond bewaar 2
Dr. Visscher
Nu zegt prof. Douma dat het spreken van de slang op een uitwisseling van gedachten kan wijzen. Hij verwijst voor deze zogenaamde ‘uitleg’ van het spreken van de slang naar het Commentaar van Gispen (1974, p.134).

Wanneer wij het commentaar van Gispen hierop naslaan komt er een  opmerkelijk gegeven naar voren. Want voor deze uitleg citeert Gispen op pagina 134 prof. dr. H. Visscher. Dit is dus niet de uitleg van Gispen maar de uitleg van dr. Visscher. En dit is zo opmerkelijk omdat dr. Visscher een rol speelde in de zaak Geelkerken.

Nu zal de naam van dr. Visscher niet meer bij iedereen bekend zijn.  Maar dr. Visscher was van ongeveer 1900 tot en met de tweede wereldoorlog een landelijk bekende en ook omstreden theoloog. Hij was o.a. hervormde dominee, mede-oprichter van de gereformeerd Bond waarmee hij later brak, tweede kamerlid van de ARP waarmee hij later ook brak en hij had de bijnaam: 'de man met de geuzenkop.' Deze bijnaam was hem  door Kuyper gegeven die Visscher enige tijd beschouwde als zijn opvolger. Visscher noemde zichzelf overigens "een calvinist op eigen houtje."  In de tijd van de tweede wereldoorlog zag Visscher in Hitler degene die Gods oordeel over Nederland bracht. Dit bracht hem er toe adviseur van Mussert te worden. Er kan dus met recht gezegd worden dat deze Visscher een bekende Nederlander en ook een controversiële theoloog  was.

Nu beroept Douma zich middels Gispen op de uitleg van dr. Visscher. Want wat heeft  Visscher gedaan? In 1927, een jaar na de commotie rond Geelkerken, schreef hij een boek met als titel: Het pardijsprobleem. In dit boek beschreef hij het 'spreken' van de slang als een 'gedachtenwisseling' op grond van een hoger gemeenschapsleven tussen mensen en dieren. Gispen citeert nauwkeurig pagina 88 van dit boek (2)

Wat deed dr. Visscher dus in 1927 met zijn boek: Het paradijsprobleem? Hij ging naast ds. Geelkerken staan. Een prominent kamerlid die tegelijk dominee en ook hoogleraar theologie was steunde een geschorste dominee – Geelkerken werd immers geschorst in 1926 - met een boek over het paradijs, tegen de synode. In een zaak met grote publieke belangstelling mengde een publiek figuur zich alsnog in het debat. Hoopte hij op extra stemmen tijdens de volgende verkiezing? Deze vraag is hier niet van belang. Dr. Visscher ging naast ds. Geelkerken staan tegen de Synode van Assen.  

Wij constateren hier het feit dat Douma met instemming dr. Visscher – via Gispen - citeert. (Dit citaat is overigens helemaal in de lijn van Gispen die het in zijn commentaar heeft over  'het verhaal van de schepping' (1974, p.8). In het boekje Genesis wordt het spreken van de slang ter discussie gesteld met  de term ‘uitwisselen van gedachten.’ Het lijkt alsof prof. Douma met dr. Visscher hiermee naast Geelkerken gaat staan. En met dit boekje doet hij dat publiekelijk.

De synode van Assen oordeelde dat Geelkerken in conflict was met de Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 4 en 5. Door ter discussie te stellen of de feiten en de zaken van Genesis 2 en 3 wel zintuiglijk waarneembare werkelijkheden waren geweest keerde Geelkerken zich tegen de belijdenis. De kerk belijdt dat de Schrift genoegzaam is. De kerk richt, grondt en bevestigt haar geloof op de Schrift en op de Schrift alleen. Allerlei wetenschap en zogenaamde wetenschap zal niet heersen over de inhoud van de Bijbel.

VERZOEK 2
Aan de synode van Amersfoort-Centrum 2005 werd verzocht uit te spreken:

Dat de omschrijving: 'uitwisseling van gedachten' in ditzelfde boekje Genesis gedaan, het klaarblijkelijke en zintuiglijk waarneembare 'spreken' van de slang ter discussie stelt. Dit is in strijd met art. 4 en 5 van de NGB.  


De reactie van het Curatorium (College van Toezicht) op het Tweede  verzoek.

En hiermee komen we bij uw tweede bezwaar: Prof. Douma zou het werkelijk spreken van de slang tot Mannin, net als Geelkerken, in bedekte termen ter discussie stellen. Uw enige argument daarvoor is zijn woordkeus, dat er tussen de vrouwen de slang sprake was van een "uitwisseling van gedachten", een formulering die, naar u ontdekte, ook dr. H. Visscher, medestander van Geelkerken, gebruikte. Douma beroept zich voor deze woordkeus weliswaar niet op Visscher maar op W.H. Gispen, maar is bij Gispen niet weer een verwijzing naar Visscher te vinden?
Het is jammer dat u met uw moeite niet eerst prof. Douma zelf benaderd hebt, maar meteen tot de beschuldiging van 'Schriftkritiek' gekomen bent; en die ook publiek in de pers geuit hebt. Het College van Toezicht heeft ook dit punt wél met hem doorgesproken en kreeg te horen dat prof. Douma van het door u aangehaalde boek van Visscher geen letter gelezen heeft. En met het van Gispen overnemen van de uitdrukking "uitwisseling van gedachten" ook geenszins een werkelijk spreken met elkaar van slang en vrouw bedoelde te ontkennen. Integendeel: hij wil juist het echt kunnen spreken van een slang -in onze wereld vandaag, na de zondeval iets ongekends- verklaarbaar maken. Hij schrijft daarom op pag. 31 van zijn boekje: "Het kunnen spreken (cursivering van ons) is dan geen gevolg van 'schranderheid' van de slang, maar van een gemeenschapsleven tussen mens en dier zoals wij dat niet meer kennen". Douma handhaaft dus nadrukkelijk het spreken van de slang. En pas dan volgt een verwijzing naar Gispen!


Commentaar
Het Curatorium of College van Toezicht stelt dat met de term ‘uitwisseling van gedachten’ het spreken van de slang niet ter discussie wordt gesteld. In mijn bezwaarschrift gaf ik overigens geen beschrijving van de term ‘uitwisseling van gedachten.’

Het College hangt zwaar op het feit dat ik inderdaad in mijn bezwaarschrift een uitgebreide beschrijving geef van de antecedenten van dr. Visscher. Doorslaggevend in de benadering van het College is daarom dat prof. Douma:

“van het door u aangehaalde boek van Visscher geen letter gelezen heeft.”
 
Wij gaan er zondermeer van uit dat prof. Douma hier waarheid gesproken heeft. Letterlijk : hij heeft geen letter van het door u aangehaalde boek gelezen.

Tegelijkertijd moet daarbij echter ook het volgende worden opgemerkt: Prof. Douma heeft geen letter van het boek van Douma gelezen maar was middels De Reformatie wel op de hoogte van ‘de inhoud’ van dit boek. Immers in jaargang 8 van De Reformatie stonden meer dan 10 grote artikelen over het boek Het Paradijsprobleem van dr. H. Visscher. Jaargang 8 staat op de literatuurlijst van de dissertatie Algemene Genade van Prof. Douma. 

Enkele voorbeelden van wat in jaargang 8 met over het spreken van de slang/uitwisseling van gedachten - in relatie tot Het Paradijsprobleem - genoemd wordt, zijn:

“Volgens hem heeft de slang niet gesproken met hoorbare stem. Immers leest men op blz. 89 en 90: De dieren hebben echter geene spraakorganen al zijn deze misschien minder van belang voor de taal dan voor de redelijkheid.”

“Het aparte boekje van hem leidt een wereld van fabelen en sprookjes binnen, waarin de dieren (zij het dan ook onhoorbaar) spreken. Maar wij stellen er onze eer in, dat wij geen kunstig verdichte fabelen najagen. Wij wenschen ons strikt te houden aan Gods Woord.” (Jaargang 8 no. 19 10 februari 1928 p. 145)

En prof. K. Schilder neemt het volgende citaat uit de Leeuwarder kerkbode over:
“Ons grootste bezwaar gaat echter tegen de methode van prof.V, om de verklaring van zulke Schriftgegevens niet in de Schrift zelf, maar in een vermeende, en dit vrij-heidense gedachtenwereld van de schrijver te zoeken.”

Wij willen hier ook het volgende over opmerken. Over de zaak of prof. Douma wel of niet op de hoogte was van ‘de inhoud’ Het Paradijsprobleem heb ik gepubliceerd in Reformanda (februari 2006) (2). Dat heb ik gedaan na de uitspraak van het Curatorium/ College Van Toezicht (november 2005). Hoewel niet het speerpunt van mijn artikel – heb ik jaargang 8 van De Reformatie genoemd die staat op de literatuurlijst van Algemene Genade van prof. Douma.

Prof. Douma heeft na de publicatie van dit artikel aan ondergetekende een brief geschreven – in afschrift aan de redactie van Reformanda – met het verzoek deze brief te publiceren. Op mijn dringende en herhaalde verzoek heeft de redactie van Reformanda – tegen het door Reformanda gehanteerde redactieprotocol in – de inhoudelijke kant van deze brief gepubliceerd (3).  

Opvallend is de laatste regel van het schrijven van prof. Douma:

“Het spreken zoals dat in Gen. 3,1 wordt genoemd, komt nu niet meer voor.” Dit is echter letterlijk onwaar.

In Genesis 3 staat dat de slang sprak, de vrouw sprak, de mens sprak en God sprak. Steeds wordt hier hetzelfde grondwoord gebruikt. In Gen. 4:1 (na de zondeval) zien wij ditzelfde grondwoord terug enz. enz. In Exodus 20:1 zien we verder bijv. ook dit grondwoord: Toen sprak God al deze woorden, “zeggende.” In de Schrift staat spreken (zeggen) er staat niet een uitwisseling van gedachten. Niets wijst erop dat in Genesis 3 sprake is van een bijzondere communicatievorm waarbij de concrete betekenis van het woord spreken vervaagt tot een uitdrukking van onzekere betekenis.
Genesis 3 én 4 enz enz. noemen het woord spreken zoals wij dat wij dat in de praktijk van elke dag doen - zoals “nu nog voorkomt.”

Naar aanleiding van de publicatie van de brief van prof. Douma – wat genereus was - vroeg dr. P. van Gurp in het Commentaar van de redactie het volgende:

“Het zou heel belangrijk zijn als dr. J. Douma onomwonden zijn volle en hartelijke instemming betuigt met Assen 1926, met name wat betreft de zintuiglijke waarneming” (3).

Tot dusver heeft dr. Douma niet aan dit verzoek voldaan.

Conclusie
De opmerking van het College van Toezicht over de kennis van prof. Douma van Het Paradijsprobleem lijkt minder juist maar is ook minder relevant. Speerpunt is of het concrete spreken van de slang ter discussie gesteld mag worden met de abstracte term ‘uitwisseling van gedachten’. Juist ook n.a.v. de brief van prof. Douma aan Reformanda zal opnieuw deze vraag aan de Synode van 2008 voorgelegd worden.


Slot
Het begin van de Schrift is niet een losstaand geheel waaraan naar believen zelf een invulling  mag worden gegeven. Wanneer de volgorde van de dagen - en de opklimming daarvan van 1-7 - niet relevant is dan heeft dat een direct gevolg voor de rustdag als hoogtepunt van de Schepping. De uitspraak van de Synode dat “het rusten op de zondag geen goddelijk gebod zou zijn” lijkt dan ook een basis te vinden in de kadertheorie. De discussie rond de ‘volgorde’ van de scheppingsdagen vertaalt zich ook in het ter discussie stellen van de schepping van de mens: eerst de man en daarna de vrouw. Wanneer dat  op zijn beurt ter discussie gesteld wordt – en waarom zou dat niet mogen wanneer Genesis 1 wel ter discussie gesteld mag worden – dan heeft dat een direct gevolg voor de kerkregering.

Wanneer het begin van de Schrift ter discussie gesteld rafelt de hele Schrift en ook het hele leven uiteen.


Sita T. Bolt


NA het zomerreces D.V.: “Over de beamer en de zaligheid van de ziel.”


Noten

1. Dr. Jochem Douma, Genesis. Kampen, Kok 2004.
2. Zie hiervoor verder mijn artikel in Reformanda nr 7 – 22 februari 2006.
    Sita T. Bolt, Sprak de slang of sprak zij niet?
3. Reformanda nr 13 – 5 april 2006 / reactie prof. dr. J. Douma en commentaar van de
    redactie door dr. P. van Gurp.
4. Reformanda  nr 11 – 23 maart 2005. Sita T. Bolt, De sleutel der kennis. / Reformanda nr
    7 – 22  februari 2006. Sita T. Bolt, Genesis 1-3: Antwoord aan dr. E.A. de Boer.